Daudts bokkensprongen

Thursday, October 9th, 2008 | Folia 60 jaar, Foto's, Herinneringen

Door Johan Frieswijk

Beeld: de verklaring van Maarten Rooij waarmee Johan Frieswijk toegang werd verleend tot het Persinstituut.

De Maagdenhuisbezetting op vrijdagavond 16 mei 1969 noodzaakte de redactie in het weekend een geheel nieuwe Folia te maken. In plaats van de (oude) kopij, die al bij de drukker lag, werden vier nieuwe pagina’s geschreven: ‘De bezetting van uur tot uur’. Vanuit het Persinstituut hadden we via de interne lijn eerst nog contact met de bezetters van het Maagdenhuis. Mederedacteur Joost Smiers was daar achtergebleven, terwijl ik eruit was gegaan om het verslag van de daadwerkelijke bezetting op papier te zetten. Onder leiding van redactiesecretaris Gerard Schuijt waren we als echte verslaggevers aan het werk.
Twee maanden daarvoor had ‘de affaire-Den Hollander’ plaatsgevonden. Den Hollanders positie was aan het wankelen geraakt nadat enkele studenten zich niet langer meer tijdens college door de hoogleraar lieten afbekken. Toen bleek dat er ook op zijn sociologisch instituut onfrisse toestanden heersten, kwam er een onderzoekscommissie van de faculteit. De toenemende openheid leidde er toe dat Folia bij de verhoren en vergaderingen van die commissie aanwezig mocht zijn. Mij werd de interessante maar oh zo gevoelige taak toebedeeld daarover te berichten. Want tijdens die verhoren kwam een aantal intimiderende praktijken op het instituut boven tafel. Het leidde tot de val van Den Hollander. Nog steeds herinner ik me het indrukwekkende optreden van hoogleraar antropologie André Köbben in deze gevoelige zaak.
De redactie van Folia was in die tijd gevestigd in een bovenruimte van het Persinstituut, eerst aan de Keizersgracht en later aan de Oude Turfmarkt. Daarin was ook het Persmuseum gevestigd. Ook voor de Subfaculteit Politicologie, waartoe het Persinstituut behoorde, waren het roerige tijden. Als betrokken student politicologie en als studentredacteur was ik daarbij direct betrokken. Daardoor kwam ik op een gegeven moment in een vreemde dubbelpositie terecht.
Op maandag 23 februari 1970 barstte de bom. De universiteit had een persbericht laten uitgaan: ‘Deur Instituut voor Perswetenschap gesloten wegens dreiging van actie’. De directeur van dat instituut was prof. mr. dr. Maarten Rooij, hoogleraar massacommunicatie. Een hoogleraar van de oude stempel, die tijdens zijn breedsprakige colleges vaak nog refereerde aan de tijd dat hij hoofdredacteur van de NRC was. Hij had besloten vanwege de collecties van het in hetzelfde gebouw gevestigde Persmuseum de voordeur, waardoor iedereen altijd zo naar binnen kon lopen voor onbepaalde tijd voor derden te sluiten. En onder die derden vielen ook wij, de drie studentleden die de ‘studentengrondraad’ Asva in de redactieraad vertegenwoordigden, maar in feite als schrijvende redacteuren van het blad opereerden. En dat niet alleen, de aanleiding was – aldus het persbericht – ‘de in het laatst verschenen nummer van het studentenblad Propria Cures (PC) opgenomen suggestie van de kandidaat-student Johan Frieswijk om mede actie te voeren tegen het Instituut voor Perswetenschap’. In Poorter, destijds een Asva-pagina in PC, had ik namelijk een artikel geschreven over de moeizame pogingen om de subfaculteit politicologie te democratiseren. ‘Daudts bokkesprongen’ was de titel en ik stelde daarin dat de democratisering tot knutselen in de marge beperkt was gebleven en dat de echte beslissingen vielen in de subfaculteitsvergadering, die nog steeds weinig democratisch was samengesteld. Ik bekritiseerde met name het optreden van de hoogleraar politicologie Hans Daudt, die in mijn ogen plotseling van een progressief man een echte conservatief was geworden. Bovendien wilde Daudt de andere hoofdvakken in de subfaculteit ondergeschikt maken aan zijn eigen discipline.
Nu was er een democratiseringscongres geweest waar Daudt met enkele getrouwen was weggelopen. De wetenschappelijke staf en het administratief en technisch personeel waren verdeeld. Men kon nu verwachten dat óf de staf óf het technisch en administratief personeel het voorstel zou verwerpen en dat de studenten dan tot actie zouden overgaan. Ik voorspelde in Folia: ‘Het Instituut voor Wetenschap der Politiek zal wel het eerste object zijn waar hun aandacht zich op richt. Het Instituut voor Perswetenschap een tweede. Daar wachten we gewoon op.’ Anders gelezen: ik had tot actie opgeroepen tegen het Persinstituut en daarop was Rooijs besluit, om de drie Asva-redacteuren niet meer toe te laten, gebaseerd geweest. Diezelfde dag al berichtte de NRC daarover op de voorpagina. Een dag later volgden met De Telegraaf voorop, de andere kranten. Dankzij Folia was ik voorpaginanieuws geworden.
Omdat we ons werk voor Folia niet meer konden doen, besloten we tot een ludieke protestactie. We belden vanaf het kantoor van de Asva de kranten op, vertelden dat we onze kopij demonstratief zouden gaan zitten schrijven op de stoep van het Persinstituut en dat we klaar stonden voor interviews en foto’s. Toen we op de Oude Turfmarkt arriveerden, stonden daar al enkele politiebusjes en agenten met honden klaar. Dat de Asva-telefoon rechtstreeks werd afgetapt, daaraan hoefden we toen ook niet meer te twijfelen. Toen alleen wat journalisten en fotografen (en een vriendin) arriveerden met gebak, vertrok de politie weer. Het Parool had de volgende dag een grote foto op de voorpagina, en ook de andere landelijke kranten plaatsten foto’s (Zie ook de bijdrage van Joost Smiers, red.).
Het werd nog erger, want die zelfde dag werd bekend dat professor Daudt zijn politicologiecolleges had gestaakt. Hij had een verklarend stencil laten uitdelen met als conclusie de slogan ‘Daudt speelt geen uitwedstrijden meer’. In het stencil toonde hij zich een begaafd tacticus. Hij schreef de studentenkritiek op het overheidsbeleid te delen, maar concludeerde dat een kleine groep ‘destructieve utopisten’ het geven van onderwijs onmogelijk maakte. Daudt noemde daarbij een aantal voorbeelden en onder het kopje ‘opruiing’ fungeerde mijn bewuste Poorter-artikel opnieuw. Ik was overigens in goed destructief gezelschap, want onder het kopje verdachtmakingen figureerden de later bekende hoogleraren Bram de Swaan en Siep Stuurman. Een extra complicatie was, dat Daudt op dat moment voorzitter was van de redactieraad van Folia.
Even snel als de publiciteit over me heen was gekomen, was het ook weer over. Drie dagen na de sluiting kwam de redactieraad van Folia in spoedzitting bijeen. Daarbij was professor Verburg, voorzitter van de Civitas Academica die Folia uitgaf, aanwezig. Hij stelde voor de soep niet zo heet te eten als die was opgediend. De sfeer was positief en gericht op het zoeken van oplossingen. Nadat alle drie de studentredacteuren plechtig hadden verklaard onze toegang tot het instituut niet te zullen gebruiken om – ik citeer het persbericht – ‘bemiddeling te verlenen of mede te werken aan voorbereidingen van acties tegen dit instituut’, mochten wij er weer in. Rooij schreef daartoe voor ieder van ons een briefje uit. Sneu was wel dat Folia zelf – als weekblad – pas over de affaire kon berichten, toen die al weer afgelopen was en zonder de goede afloop te vermelden. Op 7 maart – twee weken later – ging het Persinstituut weer open. Het was nu beveiligd en Folia had een eigen opgang gekregen. Ik deed in de loop van dat jaar tentamens bij Daudt en Rooij, en studeerde een jaar later af. Problemen gaven die tentamens in het geheel niet.
En achteraf gezien? Voor Daudt heb ik altijd bewondering gehouden, omdat hij een van degenen is geweest die me als student een kritische wetenschappelijke benadering heeft bijgebracht. Anders gezegd: mij onderwezen heeft in het wetenschappelijke handwerk. Maar zijn houding naar de subfaculteit toe, was een ander verhaal. Rooij bleef voor mij de vader van Folia, een integer man, die ook in ‘onze’ affaire een oplossing wilde.
Van de collectie van het Persinstituut wist ik toen nog niet veel af. Ik neem aan dat het voor een verzameling oude kranten heb gehouden. Toen ik meewerkte aan een tv-serie van de Vara over het socialisme, verscheen mevrouw Cohen, een medewerkster van het Persmuseum bij de opnamen met een groot aantal originele prenten van Albert Hahn voor het satirische weekblad De Notenkraker. Ik moet eerlijk zeggen dat ik toen pas heb begrepen wat Rooij bedoelde met de waardevolle collecties in zijn gebouw.

Johan Frieswijk was tussen 1968 en 1970 studentredacteur van Folia. Nadien heeft hij meer dan twintig gewerkt als onderzoeker bij de Fryske Akadmy. Hij is nu gepensioneerd.

No comments yet.

Leave a comment

Search