Bas Hart
Friday, October 10th, 2008 | Folia 60 jaar, Herinneringen
Het was 1994 en ik was vanuit de UvA voor twee dagen per week gedetacheerd bij de VSNU (de vereniging van universiteiten, red.), die toen nog in Utrecht zetelde. Daar ten kantore ging op een zekere dinsdag rond lunchtijd de telefoon en een omfloerste stem vroeg de telefoniste: ‘Met Bas Hart, kan ik Mela Beinema spreken?’ ‘Mela? Of je Jan ’t Hart terugbelt!’ joelde de telefoniste, die geen seconde in de zwakke poging tot incognito van de toenmalige Folia-redacteur trapte.
Zo ging het in de tijd dat ik deel uitmaakte van de fractie Progressief Personeel van de Universiteitsraad (UR), en Jan in de wandelgangen wel bekend stond als het 31ste lid van die uit dertig personen bestaande raad. Op dinsdagochtend werden het laatste nieuws en de nieuwste plannen van het ministerie aan de VSNU uit de doeken gedaan, ruim voordat het de universiteiten bereikte. Jan maakte dan ook even handig als ruimhartig gebruik van het feit dat de bijeenkomst van de UR van de UvA op dinsdagavond was, door mij tussendoor, soms nog tijdens de VSNU-vergadering, te bellen; niet alleen om het standpunt van Progressief Personeel aan de weet te komen, maar ook voor de laatste berichten vanuit de burcht van Zoetermeer. Zo ruimhartig, dat het begon op te vallen, waarop Jan zijn onhandige telefonische plaksnor bedacht.
Plaksnor of niet, de universitaire hoogmogendheden werden knap zenuwachtig van de hete adem van Jan en zijn Folia in hun nek. Hoe zenuwachtig, begreep ik toen ik op een vrijdag een afspraak had bij CvB-voorzitter Jankarel Gevers. Amper was ik gaan zitten toen hij me de kersverse Folia voorwapperde met de plompverloren vraag: ‘Heeft hij die informatie van jou?’ Ik kon hem alleen maar verbouwereerd aankijken, ik had geen idee waarover het ging. En daar bleef het niet bij. Korte tijd later trakteerde Gevers de raad plenair op een donderpreek die inhield dat het maar eens afgelopen moest zijn met dat lekken naar Folia. Of het daardoor kwam, of door Jan’s vertrek naar de Volkskrant een half jaar later, dat weet ik niet, maar het lekken is (helaas) nooit meer een item geweest.
Jan was niet mijn enige band met Folia. Van 1995 tot 2001 was ik ook penningmeester van het bestuur van de Stichting Folia Civitatis, de uitgever van het blad. Als zodanig was ik getuige van de geboorte van het plan om het aloude zwart/wit krantje ter gelegenheid van zijn vijftigjarig bestaan eens flink op te knappen: kleur, tabloidformaat, Folia ging er alle moderne grote kranten van vandaag in voor. Voor die restyling was natuurlijk geld nodig, waarvoor we als bestuur naar het College van Bestuur (CvB) togen. Dat eerbiedwaardige gezelschap wilde best in de buidel tasten, maar alleen onder bepaalde voorwaarden. Behalve qua uiterlijk moest Folia ook ‘inhoudelijk een aantrekkelijk en interessant blad worden, waarin naast redactionele en opiniërende bijdragen sprake is van feitelijk juiste informatie over en betreffende de UvA.’ Dat mochten we gerust vertalen naar dat er maar eens wat minder kritisch over het reilen en zeilen van het CvB bericht moest worden.
Vooruitlopend op die felbegeerde nieuwe stijl van informeren werd, om het CvB ‘nauwer bij het besluitvormingsproces naar de nieuwe bladformule te betrekken’ een waarnemer namens het college in het stichtingsbestuur gedropt, een situatie die twee jaar later in de statuten werd geformaliseerd. Daarna brak een periode aan van eindeloos gesteggel over de bladformule, over de bekostiging en over de positie van de hoofdredacteur, en buitelden bestuursleden het ooit zo rustige stichtingsbestuur uit en in. Verschillende keren dreigde het zelfs bijna tot opheffing van de onafhankelijkheid van de redactie te komen. Dat in maart 2000 het eerste nummer van Folia in de nieuwe stijl toch nog feestelijk gelanceerd kon worden in de Hortus Botanicus, was welhaast een wonder.
Ook dat is alweer bijna tien jaar geleden. Omdat ik in de aankondiging van dit zestigjarig jubileum van Folia las dat dit oudste universiteitsblad van Nederland nog altijd armlastig is, ben ik als oud-penningmeester nog maar eens in de cijfers gedoken. Dat viel niet mee, de universitaire bureaucratie is er sinds de dagen van Bas Hart niet opener op geworden. Maar uiteindelijk vond ik een bereidwillige ambtenaar, die mij een blik gunde in de ontwikkeling van subsidies sinds ongeveer de tijd van Folia’s vorig jubileum – ze bestaan nog – en ik ben hem dankbaar.
We gaan terug naar 1996. In dat jaar bedroeg de rijksbijdrage aan de UvA omgerekend 262 miljoen euro. Daarvan was 397.000 euro subsidie voor Folia. Tien jaar later, in 2006, was de rijksbijdrage met 51 procent gestegen tot 396 miljoen euro. Folia kreeg in dat jaar echter maar 28 procent meer dan tien jaar ervoor, namelijk 510.000 euro. In een periode waarin het aantal studenten grosso modo gelijk bleef, steeg de rijksbijdrage aan de universiteit dus ruwweg twee maal zo hard als de instelling aan zijn unieke, onder de universiteitsbladen nog altijd op eenzame hoogte staande blad uitgaf. Het is natuurlijk niet meer dan een indicatie, maar toch rijst de vraag of het op die manier mogelijk is om de kwaliteit te handhaven. En of de universiteit daarin niet meer zou moeten investeren. Hoe het ook zij, het lijkt me hoog tijd voor een stevig potje onderhandelen met het CvB.
Mela Beinema zat van 1995 tot 2001 in het bestuur van Folia. Zij heeft tegenwoordig een bureau voor personeels- en organisatieadvies.
No comments yet.




